direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Lochemsestraat 14 en 16, Terwolde
Status: ontwerp
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0285.20272-OW00

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De toekomstige eigenaren van het perceel Lochemsestraat 16 in Terwolde en de eigenaren van het perceel Lochemsestraat 14 in Terwolde hebben gezamenlijk bij de gemeente Voorst een verzoek ingediend voor het wijzigen van de agrarische bestemming naar een woonbestemming. Het perceel valt onder de werking van het bestemmingsplan Buitengebied. Naast de agrarische bestemming zijn de volgende dubbelbestemmingen van toepassing op het plangebied: Waarde - Archeologie - 6, Waarde - Ecologie- EHS en Waarde - Landschap. Het plangebied ligt tevens in een gebied dat wordt aangeduid als reconstructiewetzone - verwevingsgebied. Verder zijn op basis van het geldende bestemmingsplan binnen het bouwvlak 2 woningen toegestaan.

De bedrijfsmatige agrarische activiteiten op het perceel Lochemsestraat 16 in Terwolde zijn nagenoeg gestopt. De toekomstige eigenaren zijn voornemens het perceel te gebruiken voor woondoeleinden. Dit geldt tevens voor de Lochemsestraat 14. In het geldende bestemmingsplan is deze ook bestemd voor agrarische doeleinden terwijl er geen agrarisch bedrijf actief is. Ook hier bestaat de wens voor het wijzigen van de agrarische bestemming naar een woonbestemming.

Om het gebruik van het plangebied voor woondoeleinden formeel mogelijk te maken moet de agrarische bestemming van de percelen worden gewijzigd. Dit is mogelijk door toepassing te geven aan de wijzigingsbevoegdheid Vervolgfunctie Wonen uit het bestemmingsplan Buitengebied.

1.2 Doel van het wijzigingsplan

Doel van dit wijzigingsplan is het planologisch mogelijk maken van het gebruik van de woningen Lochemsestraat 14 en 16 in Terwolde voor woondoeleinden.

1.3 Ligging plangebied

De situering van het plangebied is opgenomen in Afbeelding 1. Het plangebied ligt in het buitengebied ten noordwesten van Luchthaven Teuge en de kern Teuge. Afbeelding twee geeft een luchtfoto van het perceel weer. De rode lijn geeft globaal de beoogde woonbestemming weer. De overige gronden behouden de huidige bestemmingen (zoals agrarisch en natuur). Het plangebied is kadastraal bekend als VOO00, sectie O, nummers 482, 548, 550 (deels), 551 (deels), 585 (deels), 599 en 600 (deels).

afbeelding "i_NL.IMRO.0285.20272-OW00_0001.png"

Afbeelding 1 - ligging plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.0285.20272-OW00_0002.png"

Afbeelding 2 - luchtfoto perceel

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de bestaande en toekomstige situatie van het plangebied. Ook vindt hier de ruimtelijke afweging van de voorgenomen ontwikkeling plaats. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de ruimtelijke beleidskaders van diverse overheden. Vervolgens gaat hoofdstuk 4 in op de haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de gekozen planvorm en de juridische regeling. Ten slotte komen in het zesde hoofdstuk de resultaten van de procedure aan de orde.

Hoofdstuk 2 Bestaande en toekomstige situatie

2.1 Bestaande situatie

Binnen het plangebied zijn twee (voormalige) agrarische bedrijfswoningen aanwezig. Voorheen was er binnen het plangebied een rundveehouderij gevestigd. De oorspronkelijke, karakteristieke boerderij met bakhuisje (nummer 16) dateert uit eind 19e eeuw en staat bekend als boerderij De Somp. Aan de overzijde van de Lochemsestraat staat een vierroedige schuurberg die bij boerderij De Somp hoort. Deze is vermoedelijk in 1838 gebouwd en is aangewezen als gemeentelijk monument. Aanvankelijk werden er in de schuurberg op de begane grond varkens gestald en later jongvee en één geit. Tegenwoordig wordt de begane grond vooral gebruikt voor stalling en opslag. De woning Lochemsestraat 14 is rond 1980 gebouwd als zijnde de tweede bedrijfswoning.

De bedrijfsmatige agrarische activiteiten binnen het plangebied zijn beperkt. Op basis van de geldende milieuvergunning voor het perceel Lochemsestraat 16 mogen er op het perceel 27 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar, 2 volwassen paarden en 32 zoogkoeien ouder dan 2 jaar worden gehouden. Voor het perceel Lochemsestraat 14 in Terwolde is geen milieuvergunning actief. Van bedrijfsmatige agrarische activiteiten is hier dan ook geen sprake. Het aanwezige vee wordt in de komende jaren verplaatst naar de nieuwe woning van de huidige eigenaar.

De gronden in eigendom van de huidige eigenaar van de Lochemsestraat 16 in Terwolde hebben een gezamenlijke oppervlakte van ruim 14 hectare. Circa 4.000 m² van deze gronden is bestemd als agrarisch. Het overige deel van dit perceel heeft een natuurbestemming. In het verleden heeft de huidige eigenaar namelijk een functiewijzigingstraject doorgelopen waarbij een groot deel van de toenmalige agrarische gronden zijn bestemd als natuur en als zodanig zijn ingericht. Verder is er naast de woning meer bebouwing aanwezig op dit perceel. Direct achter de woning ligt een schuur met een oppervlakte van circa 200 m². Verder is op dit perceel nog een grote (vee)schuur aanwezig met een oppervlakte van circa 500 m².

De gronden behorend bij de Lochemsestraat 14 hebben een gezamenlijke oppervlakte van ruim 3.000 m². Achter de woning zijn bijgebouwen aanwezig in de vorm van een tuinhuisje en een (voormalige) hooiberg.

De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door veelal agrarische gronden met verspreid enkele bedrijfs- en woonbestemmingen. Ten oosten van het plangebied ligt Luchthaven Teuge. Volgens de cultuurhistorische waarderingskaart van de gemeente Voorst wordt het plangebied aangemerkt als een gebied met een zeer hoge cultuurhistorische waarde.

2.2 Toekomstige situatie

Dit plan verandert weinig aan het perceel. Het gaat in dit geval om een wijziging in toegestaan gebruik. De huidige agrarische bestemming wordt grotendeels gewijzigd naar een woonbestemming. Het gaat dan voornamelijk om de gronden die in gebruik zijn voor woondoeleinden (tuin). De overige gronden, verder van de woningen af gelegen, behouden de huidige agrarische of natuurbestemming. De totale oppervlakte aan bebouwing blijft vooralsnog gelijk.

De huidige eigenaar verkoopt op korte termijn de woning met een deel van de gronden. Het aanwezige vee wordt verplaatst naar de nieuwe woning van de huidige eigenaar (de veeschuur is momenteel in aanbouw). Met initiatiefnemers is afgesproken dat de geldende milieuvergunning na het doorlopen van de wijzigingsprocedure schriftelijk wordt ingetrokken. Als overgangstermijn is een periode van 2 jaar afgesproken (na het onherroepelijk worden van het wijzigingsplan). Binnen deze termijn wordt het verplaatsen van het vee redelijk geacht.

De grote veeschuur wordt op termijn verkocht aan de huidige eigenaren van de Lochemsestraat 14. Na verplaatsing van het vee naar de nieuwe locatie willen zij deze schuur in gebruik nemen voor verschillende doeleinden. Bovendien wordt het asbest gesaneerd en is men voornemens de gevels opnieuw te bekleden. Een deel wil men gebruiken voor privédoeleinden. Daarnaast zijn ze hun ideeën om een deel te gebruiken voor recreatieve doeleinden (bed & breakfast en/of minicamping) aan het verkennen.

In het buitengebied is bij een reguliere woonbestemming per woning 100 m² aan bijgebouwen toegestaan. Deze oppervlakte wordt binnen het plangebied overschreden. Bij de wijziging van een agrarische bestemming naar een woonbestemming geldt in geval van toekomstige sloop en herbouw de saneringsregeling. Dit houdt in dat als er in de bestaande situatie meer dan 100 m² aan legale bijgebouwen aanwezig is, er 50% van de gesloopte oppervlakte mag worden teruggebouwd. Op de lange termijn zorgt deze regeling voor minder verstening in het buitengebied.

2.3 Ruimtelijke afweging

De ruimtelijke situatie verandert, zoals eerder vermeld, weinig. Zowel de woning als de bijgebouwen op het perceel blijven behouden. In het bestemmingsplan Buitengebied is een wijzigingsbevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders opgenomen, zodat zij de bestemming Bedrijf ten behoeve van de vervolgfunctie wonen (artikel 3.7.4) kunnen wijzigen naar de bestemming Wonen. Hierbij dient in acht te worden genomen dat:

  • a. wijziging is uitsluitend toegestaan indien er sprake is van algehele beëindiging van een ter plaatse gevestigd agrarisch bedrijf;
  • b. de vervolgfunctie dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn;
  • c. het aantal woningen mag niet toenemen;
  • d. indien er sprake is van reeds bestaande nevenfuncties met een oppervlakte groter dan 100 m² wordt deze aangeduid met een op de nevenfunctie toegesneden functieaanduiding.

In overleg met initiatiefnemers is afgesproken dat binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van het wijzigingsplan de geldende milieuvergunning schriftelijk wordt ingetrokken. Dit wordt middels een overeenkomst vastgelegd. De bedrijfsmatige agrarische activiteiten op het perceel zijn al erg beperkt, maar initiatiefnemer heeft op deze manier voldoende tijd om al deze activiteiten te verplaatsen. Er wordt zodoende niet volledig voldaan aan de eerste voorwaarde van de wijzigingsbevoegdheid. Echter bestaat er gezien de aard en omvang van de nog aanwezige (bedrijfsmatige) activiteiten en het feit dat de overgangsperiode in een overeenkomst wordt vastgelegd voldoende aanleiding mee te werken aan de bestemmingswijziging naar wonen.

De wijziging naar een woonbestemming voldoet aan voorwaarde b, de vervolgfunctie wonen is milieuhygiënisch inpasbaar. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt op het perceel gegarandeerd. Deze verslechtert niet ten opzichte van de huidige situatie. Daarnaast zorgt de bestemmingswijziging er niet voor dat omliggende (agrarische) bedrijvigheid (extra) worden gehinderd in de bedrijfsvoering en eventuele ontwikkelingsmogelijkheden.

In de bestaande situatie zijn er twee woningen aanwezig in het plangebied. Door de bestemmingswijziging mogen deze gebruikt worden voor woondoeleinden. Het aantal aanwezige en toegestane woningen wijzigt niet.

Zoals eerder toegelicht geldt bij een woonbestemming in het buitengebied een maximale oppervlakte van 100 m² aan bijgebouwen per woning. In de huidige situatie wordt deze oppervlakte overschreden. Als er in de bestaande situatie meer dan 100 m² aan legale, niet monumenten zijnde, bijgebouwen aanwezig is dan is dit toegestaan. Wel is de saneringsregeling van toepassing. Bij sloop en nieuwbouw mag 50% van de gesloopte oppervlakte worden teruggebouwd.

Er is geen sprake van reeds bestaande nevenfuncties op het perceel. Een op de nevenfunctie toegesneden functieaanduiding is daarom niet van toepassing. Ook aan de laatste voorwaarde van de wijzigingsbevoegdheid wordt voldaan.

Zoals hierboven toegelicht bestaan er op voorhand geen ruimtelijke bezwaren tegen het wijzigen van de bestemming. Een bestemmingswijziging heeft geen gevolgen voor de bestaande waarden in het plangebied. De omgeving ondervindt bovendien geen (extra) hinder van de bestemmingswijziging.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt beknopt het belangrijkste ruimtelijke beleidskader beschreven op de verschillende overheidsniveaus (rijk, provincie, regionaal en gemeente).

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) in werking getreden. Deze visie geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. In de SVIR is de visie van de rijksoverheid op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 aangegeven. De structuurvisie speelt in op een aantal ontwikkelingen en uitdagingen; krimp, groeiende mobiliteitsbehoefte, versterken internationale concurrentiepositie, koesteren en versterken ruimtelijke structuur, klimaatverandering, duurzame energie en het stelsel van regels en procedures. Een van de kernmiddelen die wordt ingezet om goed op deze ontwikkelingen en uitdagingen in te spelen is decentralisatie. Beslissingen over ruimtelijke ontwikkelingen wil het kabinet dichter bij burgers en bedrijven brengen en provincies en gemeenten krijgen de ruimte om maatwerk te leveren voor regionale opgaven. Voor de periode tot 2028 richt het Rijk zich op drie doelen:

  • vergroten van de concurrentiekracht door versterking van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • verbeteren van de bereikbaarheid;
  • zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

Met bovengenoemde rijksdoelen zijn 13 nationale belangen aan de orde die in het SVIR verder gebiedsgericht zijn uitgewerkt in concrete opgaven voor de diverse onderscheiden regio's. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden meer beleidsvrijheid op het terrein van ruimtelijke ordening gekregen. Het kabinet is van mening dat provincies en gemeenten beter op de hoogte zijn van de actuele situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties en daardoor beter kunnen afwegen welke (ruimtelijke) ingrepen in een gebied nodig zijn. Voorliggend initiatief heeft geen relatie met één van de 13 nationale belangen.

3.2.2 Ladder duurzame verstedelijking

In de SVIR wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. De ladder kent drie treden die achter elkaar worden doorlopen (zie afbeelding 3).

afbeelding "i_NL.IMRO.0285.20272-OW00_0003.png" Afbeelding 3 - schema ladder voor duurzame verstedelijking

Met ingang van 1 juli 2017 is de nieuwe ladder in werking getreden. Ongewijzigd hierin is dat in de toelichting op bestemmingsplannen de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden beschreven. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling zijn bepalend voor de afbakening van het gebied waarbinnen de behoefte moet worden onderzocht. In de wet is bovendien toegevoegd dat bij een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied goed gemotiveerd moet worden waarom deze niet in bestaand stedelijk gebied te realiseren is.

De laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang van een stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Of er wel of geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkelingen in relatie tot de omgeving.

Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling zijn de SVIR en de Ladder voor duurzame verstedelijking op onderliggend plan niet van toepassing. Het Rijk heeft dan ook geen verdere bemoeienis met de planvorming. Nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet noodzakelijk.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Gelderland

De Omgevingsvisie Gelderland is een integrale visie, niet alleen op het gebied van de ruimtelijke ordening, maar ook voor waterkwaliteit en veiligheid, bereikbaarheid, economische ontwikkeling, natuur en milieu, inclusief de sociale gevolgen daarvan. De Omgevingsvisie is de vervanger van het streekplan en enkele andere structuurvisies. De visie is op 9 juli 2014 door Provinciale Staten vastgesteld. De provincie kiest er in de Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:

  • 1. een duurzame economische structuur;
  • 2. het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving.

De provinciale hoofddoelen zijn vertaald in provinciale ambities. De ambities zijn opgehangen aan de termen divers, dynamisch en mooi. Gelderland is een dynamische provincie in een prachtige setting met een grote diversiteit. Divers Gelderland heeft betrekking op de regionale verschillen in maatschappelijke vraagstukken en opgaven en het koesteren van de regionale identiteiten. Dynamisch Gelderland betreft de provinciale ambities die zich afspelen op met name ruimtelijk-economisch vlak zoals wonen, werken en mobiliteit. Mooi Gelderland betreft de Gelderse kwaliteiten die bescherming of ontwikkeling nodig hebben en die tegelijk richting geven aan ontwikkelingen. Denk hierbij aan cultuurhistorie, natuur en water.

Daarnaast bevat de Omgevingsvisie Gelderland het belangrijke instrument de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik. De juridische basis hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking die het Rijk heeft vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (zie afbeelding 3). In de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik staan de doelen centraal, niet de regels. Voor een zorgvuldige afweging van ontwikkelingen in het buitengebied, moet de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik worden gebruikt. Dit betekent dat bij plannen moet worden aangegeven of de nieuwe situatie qua aard en schaal passend is. Dat betekent in hoeverre de nieuwe situatie zich in het karakter van het buitengebied laat passen. Bij deze nieuwe situatie gaat het om omvang (oppervlakte) en effecten (zoals verkeersaantrekkende werking). Als dit in de nieuwe situatie dusdanig verandert, dan is er sprake van een grootschalige ontwikkeling op basis waarvan een afweging op grond van de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik aan de orde is.

Gezien de kleinschalige aard en omvang én de effecten van onderliggend plan is een afweging met de Gelderse ladder niet aan de orde. In dit specifieke geval gaat het enkel om een bestemmingswijziging waardoor de voormalige bedrijfswoningen als burgerwoning gebruikt mogen worden.

3.3.2 Omgevingsverordening Gelderland

In de Omgevingsverordening Gelderland staan regels beschreven die ervoor zorgen dat de Omgevingsvisie Gelderland ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd. De Omgevingsverordening dient dan ook als een juridisch instrument en beperkt zich tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. Daarmee dient de Omgevingsverordening als een toetsingskader bij het opstellen van nieuwe ruimtelijke plannen zoals een bestemmingsplan of een uitgebreide afwijkingsprocedure in het kader van de omgevingsvergunning.

De Omgevingsverordening Gelderland bestaat uit de volgende kaartlagen waaraan regels zijn verbonden: Windenergie, Landbouw, Glastuinbouw, Natuur, Landschap, Water en milieu en Erfgoed.

afbeelding "i_NL.IMRO.0285.20272-OW00_0004.png"

Afbeelding 4 – uitsnede Omgevingsverordening Gelderland

Afbeelding 4 laat zien dat er verschillend provinciaal beleid van invloed is op het plangebied. Het deel van het plangebied dat gewijzigd wordt naar een woonbestemming valt binnen het Nationaal landschap De Veluwe gelegen buiten het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO) en de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW). In artikel 2.7.4.2 van de verordening is opgenomen dat een bestemmingsplan voor gronden binnen een nationaal Landschap alleen bestemmingen mogelijk maakt die de kernkwaliteiten van de landschap versterken of in ieder geval niet aantasten.

Een (klein) deel van de gronden uit het plangebied onderdeel uit van het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het GNN is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Deze gebieden vervullen tevens een belangrijke rol bij het behoud van de biodiversiteit. In het GNN zijn nieuw vestiging en grootschalige ingrepen alleen mogelijk als er geen reële alternatieven zijn en er een zwaarwegend maatschappelijk belang in het geding is. Ontwikkelingen binnen het GNN mogen niet als gevolg hebben dat de kernkwaliteiten van de (nog te ontwikkelen) natuurwaarden significant worden aangetast.

Daarnaast is het gehele plangebied aangewezen als intrekgebied. De provincie streeft ernaar het grondwater als bron voor de drinkwatervoorziening te beschermen. Het is daarom verboden om in een intrekgebied werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten ten behoeve van de winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas.

Dit wijzigingsplan voorziet enkel in een wijziging van gebruik. De woonbestemming heeft niet als gevolg dat de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap en het Gelders Natuurnetwerk worden aangetast. Bovendien levert het plan ook geen problemen op voor de bescherming van het grondwater als bron voor de drinkwatervoorziening. Het plan om de agrarische bestemming te wijzigen naar een woonbestemming is niet in strijd met provinciaal beleid.

3.4 Regionaal beleid

3.4.1 Regionale Structuurvisie Stedendriehoek 2030

De Regionale Structuurvisie Stedendriehoek 2030 (RSV) (vastgesteld 2007) en de Regionale Structuurvisie De Voorlanden (vastgesteld 2009) geven de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling op langere termijn, tot 2030. De RSV gaat over het zogenaamde bundelingsgebied van de drie steden Apeldoorn, Deventer en Zutphen en het daarbinnen gelegen middengebied (grote delen van het grondgebied van de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Deventer, Lochem, Voorst en Zutphen).

De basis voor de inhoudelijke keuzes in de structuurvisie is de bestuurlijke doelstelling die door alle partners wordt gedragen als leidend beginsel voor het ruimtelijk beleid van de Stedendriehoek. De doelstelling die hierbij luidt is het behoud en versterking van de samenhang en variatie in woon-, werk- en recreatiegebieden, met het gelijktijdig ontwikkelen van nieuwe kwaliteiten in water, natuur, landschap en landbouw. De Regionale Structuurvisie heeft de formele status van Intergemeentelijk Structuurplan. Dit betekent dat de structuurvisie richtinggevend is voor de ruimtelijke ontwikkeling. Gezien kleinschalige aard en omvang van het plan is het wijzigen naar een woonbestemming niet in strijd met regionaal beleid.

3.5 Gemeentelijk beleid

3.5.1 Ruimtelijke Toekomstvisie Voorst

De gemeenteraad heeft op 18 december 2017 de Ruimtelijke Toekomstvisie Voorst "Kwaliteit, Verbinding en Duurzaamheid" als structuurvisie vastgesteld. De visie volgt de Ruimtelijke Toekomstvisie Voorst uit 2005 op. De visie zet ambities neer, maar geldt ook als kader voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Leidend is onze identiteit: de diversiteit en kwaliteit van de landschappen in onze gemeente, de bijzondere monumenten en cultuurhistorie, de dorpse schaal van de kernen, de menselijke maat en de krachtige sociale samenhang in onze gemeente. Duurzaamheid is daar in de visie als vijfde element aan toegevoegd. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten passen bij deze identiteit en die -waar mogelijk- versterken.

Mensen wonen graag in de gemeente Voorst vanwege het groen, de rust, de ruimte, de cultuurhistorie en de afwisselende landschappen. Om dezelfde reden komen elk jaar vele toeristen de gemeente bezoeken. Een belangrijk deel van de lokale economie is direct verbonden met het landelijk gebied (veeteelt, land- en tuinbouw, landgoederen, recreatie en horeca). Het Voorster landschap is letterlijk en figuurlijk de drager van onze gemeenschap. Voorst wordt niet voor niets omschreven als 'het groene hart van de Stedendriehoek'. Te midden van de steden Deventer, Apeldoorn en Zutphen kenmerkt Voorst zich door haar landelijk ligging, de rust en stilte in een uitgestrekt landelijk gebied. De regio Stedendriehoek profileert zich sinds enkele jaren als Cleantech Regio. Vanuit een brede benadering van duurzaamheid richt zij zich onder andere op 'toekomstige binnensteden en dorpskernen'. Het gaat daarbij om het vergroten van de aantrekkelijkheid van stads- en dorpskernen om op die manier te zorgen voor vitale stads- en dorpskernen.

De verhouding tussen de verdichting in de kernen en de ruimte in het buitengebied is typisch voor de gemeente Voorst. Het leidt tot een omgeving en een landschap waarin mensen zich thuis voelen, waarin de menselijke maat leidend is.

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de wijziging van de agrarische bestemming naar een woonbestemming. Gezien de kleinschalige aard en omvang van de ontwikkeling past het plan binnen de kaders van de Ruimtelijke Toekomstvisie.

3.5.2 Bestemmingsplan Buitengebied

In het bestemmingsplan Buitengebied (en Buitengebied, eerste herziening) is onder artikel 3.7.4 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het college van burgemeester en wethouders, waarmee de bestemming Agrarisch ten behoeve van de vervolgfunctie wonen gewijzigd kan worden in de bestemming Wonen. Daarbij gelden de volgende voorwaarden:

  • wijziging is uitsluitend toegestaan indien er sprake is van algehele beëindiging van een ter plaatse gevestigd bedrijf;
  • de vervolgfunctie dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn;
  • het aantal woningen mag niet toenemen;
  • indien er sprake is van reeds bestaande nevenfuncties met een oppervlakte groter dan 100 m² wordt deze aangeduid met een op de nevenfunctie toegesneden functieaanduiding.

Zoals uit de ruimtelijke afweging (paragraaf 2.3) al naar voren kwam, bestaat er voldoende aanleiding om medewerking te verlenen aan de wijziging naar een woonbestemming door toepassing te geven aan de wijzigingsbevoegdheid uit het moederplan.

Hoofdstuk 4 Randvoorwaarden en onderzoek

4.1 Inleiding

Bij ruimtelijke ingrepen dient te worden onderbouwd of het voornemen 'redelijkerwijs uitvoerbaar' is. In dit hoofdstuk wordt per aspect (milieu, flora en fauna, archeologie, watertoets en economie) aangegeven in hoeverre het plan uitvoerbaar is.

4.2 Milieu-aspecten

4.2.1 Bodem

Als gevolg van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan onderzoek te worden verricht naar de geschiktheid van de gronden voor het beoogde doel. In het geval van een verontreiniging moet de mate van de omvang ervan worden vastgesteld, zodat beoordeeld kan worden of -en zo ja welke- kosten gemoeid zijn met het verwijderen of verminderen van die verontreiniging, zodat voldaan wordt aan de eisen van de milieuwetgeving.

In dit plan vindt geen sloop en nieuwbouw plaats, de bestaande bebouwing krijgt de bestemming Wonen. Een verkennend bodemonderzoek is om deze reden niet noodzakelijk. Dit aspect vormt dan ook geen belemmeringen voor de voorgenomen bestemmingswijziging.

4.2.2 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Hieronder wordt verstaan het aanbrengen van voldoende ruimte tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen de milieubelastende en milieugevoelige functies.

Zowel een burgerwoning als een bedrijfswoning worden beiden aangemerkt als een geurgevoelig object. Daarom moet bij dit wijzigingsplan beoordeeld worden of er door de wijziging geen (agrarische) bedrijven in de omgeving worden belemmerd en of er aan de Lochemsestraat 14 en 16 in Terwolde sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0285.20272-OW00_0005.png"

Afbeelding 5 - overzicht bestemmingen in de directe omgeving van het plangebied

Afbeelding 5 laat zien dat in de directe omgeving van voornamelijk woonbestemmingen voorkomen. De afstand tot de dichtstbijzijnde (agrarische) bedrijvigheid is ruim meer dan 200 meter. Deze afstand wordt met het wijzigingsplan niet kleiner. Gezien de bestaande afstanden en de aard en omvang van het wijzigingsplan is geconcludeerd dat er geen (extra) beperkingen voor (agrarische) bedrijvigheid ontstaan door de bestemmingswijziging. Bovendien wordt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen het plangebied gegarandeerd.

4.2.3 Geluid

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen of wijzigingsplannen rekening gehouden moet worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Door artikel 76 Wgh is het bij de vaststelling van een bestemmingsplan of wijzigingsplan verplicht, om bij de gronden die behoren tot een geluidszone, de grenswaarden in acht te nemen wat betreft de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen zoals woningen. Bij het voorbereiden van de vaststelling van zo'n bestemmingsplan of wijzigingsplan moet akoestisch onderzoek worden gedaan naar die geluidsbelasting.

Het plangebied is gesitueerd buiten de bebouwde kom, ten westen van Luchthaven Teuge. Er is sprake van een bestaande situatie waarbij de voormalige agrarische bedrijfswoningen in gebruik worden genomen als burgerwoning. Het huidige woon- en leefklimaat blijft gehandhaafd. Er vinden geen bouwactiviteiten plaats en er worden geen nieuwe bouwmogelijkheden gecreëerd. Een nadere toetsing aan de Wet geluidhinder voor vaststelling van dit wijzigingsplan is om deze redenen niet nodig.

4.2.4 Luchtkwaliteit

De eisen voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn sinds november 2007 vastgelegd in de Wet milieubeheer, in titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen (ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'). In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de Wet luchtkwaliteit bestaat uit in Europees verband vastgestelde normen voor maximumconcentraties voor een aantal luchtvervuilende stoffen. In Nederland kunnen met name fijnstof (PM10) en stikstofoxiden (NO2) problemen opleveren met betrekking tot overschrijding van de grenswaarden. Fijnstof wordt grotendeels veroorzaakt door grote industriële bronnen en het wegverkeer, NO2 wordt voornamelijk veroorzaakt door wegverkeer. Indien het uitoefenen van bevoegdheden zoals het vaststellen van bestemmingsplannen of het afwijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wabo gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kunnen bestuursorganen die bevoegdheden uitoefenen wanneer aannemelijk is gemaakt dat:

  • het bestemmingsplan c.q. de afwijking niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden;
  • de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan c.q. de afwijking per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft;
  • het bestemmingsplan c.q. de afwijking niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen.

Sinds 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht. Volgens het NSL draagt een project 'niet in betekenende mate' (Nibm) bij zo lang de concentratie fijnstof of stikstofdioxide niet meer dan 3% bedraagt. Volgens de regeling Nibm wordt die grens pas overschreden bij bijvoorbeeld woningbouwprojecten van meer dan 1500 woningen of kantoorlocaties met meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlak. Voor ontwikkelingen die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden.

Het wijzigingsplan heeft niet één van bovenstaande ontwikkelingen tot gevolg. Er is geconcludeerd dat de luchtkwaliteit door de bestemmingswijziging naar wonen 'niet in betekenende mate' verslechtert. Er wordt daarom niet verder ingegaan op het aspect luchtkwaliteit.

4.2.5 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport van deze stoffen. Op basis van de criteria, zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven zoals LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Doel van het externe veiligheidsbeleid is om zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn provincies en gemeenten verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Binnen het werkveld van de externe veiligheid wordt veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd. Het PR biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het GR legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal potentiële slachtoffers. Als een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

afbeelding "i_NL.IMRO.0285.20272-OW00_0006.png"

 Afbeelding 6 - uitsnede risicokaart Gelderland

Afbeelding 6 laat zien dat er in de directe omgeving van het plangebied geen risicobronnen voorkomen die van invloed zijn op het wijzigingsplan. Bovendien is er alleen sprake van een functiewijziging naar wonen. Dit brengt geen toename van het aantal personen en/of kwetsbare objecten met zich mee. De ruimtelijke situatie aan de Lochemsestraat 14 en 16 in Terwolde wijzigt niet ten opzichte van de bestaande situatie. Het aspect externe veiligheid levert zodoende geen belemmeringen op voor het wijzigen van de agrarische bestemming naar een woonbestemming.

4.3 Flora en fauna

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient de natuurwetgeving beschouwd te worden. Deze wetgeving richt zich op twee hoofdthema's. Het gaat hierbij om de bescherming van natuurgebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van plant- en diersoorten (soortbescherming).

De nieuwe Wet natuurbescherming vervangt vanaf 1 januari 2017 drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de nieuwe Wet natuurbescherming is drieledig:

  • 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland;
  • 2. decentralisatie van verantwoordelijkheden;
  • 3. vereenvoudiging van de regels.

De Wet natuurbescherming heeft de verbodsbepaling uit de Flora- en faunawet overgenomen dat activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten, verboden zijn. De verboden activiteiten zijn het op enige wijze verwijderen van beschermde inheemse planten van hun groeiplaats, een beschermde inheemse soort opzettelijk te verontrusten en/of nesten, holen of andere vaste rust- en verblijfplaatsen van deze dieren te verstoren. Opzettelijk verstoren van vogels is in sommige situaties wel toegestaan. Verstoren zonder dat er van tevoren een goed onderzoek naar beschermde soorten is uitgevoerd blijft strafbaar.

Het plan voorziet in de wijziging van de agrarische bestemming naar een woonbestemming. Er is geen sprake van sloop- en of bouwactiviteiten. Gezien de aard en omvang van voorliggend plan is verder geen onderzoek naar aanwezige flora en fauna uitgevoerd. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht voor de aanwezige flora en fauna.

4.4 Archeologie

In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het Verdrag van Malta wordt gesteld dat de archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn:

  • Archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behouden in de bodem (in situ) niet mogelijk is;
  • In ruimtelijke ordening (planvorming) al vroegtijdig rekening houden met archeologische waarden;
  • De bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen.

De bescherming van de aanwezige en de te verwachten archeologische waarden door bodemverstorende activiteiten was in de Monumentenwet 1988 geregeld. Echter is deze wet per 1 juli 2016 vervallen. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet en deze treedt naar verwachting in 2021 in werking. Tot die tijd zijn de artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar deze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Hierbij wordt uitgegaan van het zo vroeg mogelijk betrekken van de archeologische waarden in het ruimtelijke ordeningsproces.

Specifiek voor het bestemmingsplan is hierop artikel 38a van de Monumentenwet van toepassing: “De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1, onderscheidenlijk artikel 3.38, van de Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten”.

De archeologische waarden zijn in het moederplan Buitengebied vertaald naar dubbelbestemmingen. Het plangebied kent één archeologische dubbelbestemming (Waarde - Archeologie - 6). Deze waarde betekent dat voor het gebied een lage of onbekende verwachting geldt. Bij deze archeologische waarde geldt een onderzoeksverplichting als de bodemingreep groter is dan 2.500 m² en waarvan de ingreep dieper reikt dan 30 centimeter onder maaiveld. De voorschriften bij deze archeologische waarde horen worden overgenomen in dit wijzigingsplan.

Er vinden met dit wijzigingsplan geen ingrepen plaats, het betreft enkel een wijziging in gebruik. De agrarische bestemming wijzigt naar een woonbestemming. Voor deze ruimtelijke procedure is dan ook geen waardestellend archeologisch vooronderzoek vereist.

4.5 Watertoets

Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Via de digitale watertoets (www.dewatertoets.nl) kan beoordeeld worden welke waterthema's in het plan relevant zijn.

De toets is op 30 november 201 uitgevoerd (zie Bijlage 1, De Watertoets). Het plan is, vanuit de waterhuishouding bezien, voor het waterschap beperkt van belang. De motivatie daarvoor is dat plannen zonder (nieuwe) ontwikkelingsmogelijkheden, zoals functiewijzigingen en actualisaties, nauwelijks tot geen effect hebben op de waterhuishouding. Dit betekent dat geen essentiële waterbelangen worden geraakt en het waterschap op basis daarvan een positief water advies geeft.

4.6 Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In dit geval is van een dergelijk plan geen sprake. Kosten voor uitvoering van de bouwplannen en eventuele planschade zijn voor rekening van initiatiefnemer.

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet

Dit wijzigingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het wijzigingsplan. Beide planonderdelen dienen in een onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.

Het voormalige agrarische bouwvlak is grotendeels gewijzigd naar een woonbestemming. Volgens de systematiek van het moederplan is de woonbestemming ook het bouwvlak. Hierbij gelden dezelfde reguliere bouwregels voor de bestemming Wonen: maximale inhoud van 750 m³, maximale bouwhoogte 10 m, maximale goothoogte 4 m enzovoorts. Binnen deze woonbestemming zijn, overeenkomstig met het bestaande aantal, twee woningen toegestaan. De overige gronden binnen het plangebied zijn bestemd als agrarisch (zonder bouwvlak).

De dubbelbestemmingen Waarde - Landschap, Waarde - Ecologie - EHS en Waarde - Archeologie - 6 zijn in dit wijzigingsplan overgenomen. Dit geldt ook voor de gebiedsaanduidingen reconstructiewetzone - verwevingsgebied en luchtvaartverkeerszone - 2. De dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen gelden in de heersende plannen voor de locatie en dienen ter bescherming en veiligstelling van archeologische, landschappelijke en ecologische waarden.

Het wijzigingsplan kent geen op zich staande regels. De geldende regels uit de bestemmingsplannen 'Buitengebied' en 'Buitengebied, eerste herziening' zijn onverkort van toepassing op dit wijzigingsplan.

Hoofdstuk 6 Overleg en inspraak

Het ontwerpwijzigingsplan heeft met ingang van [PM] gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegen. Tijdens de inzagetermijn zijn belanghebbenden in de gelegenheid gesteld een zienswijze over het plan naar voren te brengen. Hiervan is wel/geen [PM] gebruik gemaakt.