direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Kruisakkerweg 5, Twello
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0285.171044-OW00

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op het perceel aan de Kruisakkerweg 5 in Twello is een rioolgemaal van het waterschap Vallei en Veluwe gevestigd. Het gemaal is de aandrijvende kracht van het afvalwatertransportsysteem. Het gemaal bestaat uit een pompinstallatie en een ontvangstkelder. Dit gemaal pompt het rioolwater naar de rioolwaterzuivering in Terwolde. Het gemaal is verantwoordelijk voor de kernen Twello, Teuge en De Vecht. Het gemaal is nu aan vervanging toe. Een belangrijke reden hiertoe is het vergroten van de capaciteit van het gemaal en het bereiken van het einde van zijn (technische) levensduur.

Voor het vervangen van het rioolgemaal wordt sloop en nieuwbouw gepleegd. Het is hierbij van belang dat het nieuwe gemaal eerst wordt gerealiseerd, voordat het huidige rioolgemaal wordt gesloopt. Het nieuwe rioolgemaal is om deze reden voorzien buiten het huidige bouwvlak. Om deze nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken is een bestemmingsplan nodig.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen in het noorden van het dorp Twello. Het plangebied ligt te midden van de straten Rijksstraatweg, Parkelerweg, Kruisweg en Kruisakkerweg. Via de Kruisakkerweg is het perceel ontsloten. Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Twello, sectie A, nummer 2115.

afbeelding "i_NL.IMRO.0285.171044-OW00_0001.png"

Afbeelding 1 - Ligging plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0285.171044-OW00_0002.png"

Afbeelding 2 - Luchtfoto van het plangebied.

1.3 Leeswijzer

De toelichting van dit bestemmingsplan bestaat uit 6 hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige en toekomstige situatie beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. De uitvoerbaarheid van de plannen wordt beschreven in hoofdstuk 4. Een toelichting op de planregels is te vinden in hoofdstuk 5. Ten slotte wordt in hoofdstuk 6 de procedure van inspraak en overleg toegelicht.

Hoofdstuk 2 Huidige en toekomstige situatie

2.1 Huidige situatie

Ruimtelijke structuur

Het plangebied is bijna volledig ontsloten door woningen en vormt daarmee geen beeldbepalende locatie in Twello. De functies in de directe omgeving worden dan ook gedomineerd door wonen. Daarnaast is aan de Rijksstraatweg 106 een bedrijfsmatige functie aanwezig (tankstation). Wat verder van het plangebied doen ook agrarische functies en natuurfuncties zich voor. Nabij de planlocatie liggen enkele landgoederen/buitenplaatsen zoals Bruggenbosch en De Parckelaer. Het gebied rondom Twello staat dan ook bekend als de landgoederenzone. Verder ligt het plangebied nabij de belangrijke verkeersroute tussen Apeldoorn en Deventer, de provinciale weg Rijksstraatweg.

Aanwezige bebouwing

Het aanwezige gebouw heeft een toegangsdeur en een glaspartij voor lichtinval en beslaat een oppervlakte van ongeveer 43 m2. Naast het gebouw staat een druktoren van 12 meter. Ruimtelijk gezien heeft deze druktoren een groter effect heeft dan het gebouw. Het gemaal in het gebouw bestaat uit een pompinstallatie en een ontvangstkelder. Hierbij is er sprak van een verticale pompopstelling. Rondom de bebouwing is veel beplanting aanwezig. Hierdoor gaat het gebouw het merendeel van de tijd verscholen achter het groen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0285.171044-OW00_0003.png"
Afbeelding 3 - Bestaande situatie.

Cultuurhistorie

Het plangebied is van oudsher agrarisch gebruikt en was hierbij niet bebouwd. De straat die nu bekend staat als de Parkelerweg stond eerder bekend als Alleezicht (of zigt). De bebouwing van het plangebied en de omgeving kreeg vorm in de loop van de 20e eeuw, omstreeks de jaren '70 kreeg de wijk de structuur en de bebouwing zoals die nu nog grotendeels aanwezig is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0285.171044-OW00_0004.png"

Afbeelding 4 - Uitsnede kaart uit 1925.

2.2 Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie is gekozen voor een zogenaamde droge pompopstelling. Een pompopstelling kan namelijk 'droog´ of 'nat' zijn opgesteld. Het grootste verschil is dat een natte opstelling uit de pompkelder moet worden gehesen voor onderhoud. Bij een natte opstelling is dan ook het gewicht bepalend. Droge pompen kunnen zowel verticaal als horizontaal (oriëntatie van de motoras) worden geplaatst. Droog opgestelde pompen met grote afmetingen worden soms verticaal opgesteld om de benodigde ruimte te beperken of om de motor en het pomphuis gescheiden te houden.

Ondanks dat door de capaciteitsvergroting en de horizontale opstelling een groter ruimtebeslag nodig is, heeft de horizontaal opgestelde pomp de voorkeur boven de verticaal opgestelde pomp om de volgende redenen:

  • eenvoudiger leidingwerk;
  • lagere wrijvingsverliezen;
  • uitslagpeil ligt bij een verticale opstelling hoger dan bij de horizontale variant.

In de nieuwe situatie beslaat het gebouw een oppervlakte van 65 m2. Daarnaast wordt - vanwege de noodzakelijkheid van een operabel gemaal - het nieuwe gemaal naast de bestaande ontwikkeld. Een tijdelijke noodpompinstallatie is minder betrouwbaar en om die reden niet wenselijk.


afbeelding "i_NL.IMRO.0285.171044-OW00_0005.png"

Afbeelding 5 - Nieuwe situatie.

De nieuwe installatie heeft een gelijke tot een verminderde hoeveelheid geur- en geluidbelasting op de omgeving. Voor het afkoppelen van het regenwater worden 6 infiltratiekratten met een totale berging van 2.530 liter op. De nieuwe situatie wordt ingepast door een haag van beuk (aanplant hoogte is 1 meter) en de aanplant van een vogelbosje met inheemse struikvormers (meidoorn, Gelderse roos, lijsterbes). Daarnaast blijven een viertal bomen behouden.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt beknopt het relevante ruimtelijke beleidskader beschreven, geformuleerd op de verschillende overheidsniveaus. Andere beleidsthema's zoals milieu, archeologie of water worden hier niet beschreven. Dit beleid komt aan bod in hoofdstuk 5.

3.2 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. De SVIR heeft diverse nota's vervangen, zoals de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit. Ook zijn met het SVIR de ruimtelijke doelen en uitspraken vervallen die zijn benoemd in de Agenda Landschap, Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. In de SVIR is de visie van de rijksoverheid op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 aangegeven. Dit gaat over een nieuw integraal kader dat de basis vormt voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR is gekozen voor een meer selectieve inzet van het rijksbeleid dan voorheen. Voor de periode tot 2028 zijn de ambities van het Rijk in drie rijksdoelen uitgewerkt:

  • vergroten van de concurrentiekracht door versterking van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • verbeteren van de bereikbaarheid;
  • zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

Met bovengenoemde rijksdoelen zijn 13 nationale belangen aan de orde die in het SVIR verder gebiedsgericht zijn uitgewerkt in concrete opgaven voor de diverse onderscheiden regio's. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden meer beleidsvrijheid op het terrein van ruimtelijke ordening gekregen. Het kabinet is van mening dat provincies en gemeenten beter op de hoogte zijn van de actuele situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties en daardoor beter kunnen afwegen welke (ruimtelijke) ingrepen in een gebied nodig zijn.

Voorliggend initiatief heeft relatie met één van de 13 nationale belangen, namelijk het verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s (nationaal belang 8).

Ladder duurzame verstedelijking

In de SVIR wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. De ladder kent drie treden die achter elkaar worden doorlopen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0285.171044-OW00_0006.png"

Afbeelding 6 - Schema Ladder voor duurzame verstedelijking.

Met ingang van 1 juli 2017 is de nieuwe Ladder in werking getreden. Ongewijzigd hierin is dat in de toelichting op bestemmingsplannen de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden beschreven. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling zijn bepalend voor de afbakening van het gebied waarbinnen de behoefte moet worden onderzocht. In de wet is bovendien toegevoegd dat bij een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied goed gemotiveerd moet worden waarom deze niet in bestaand stedelijk gebied te realiseren is.

De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang van een stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Of er wel of geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkelingen in relatie tot de omgeving.

Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, zijn de SVIR en de (nieuwe) Ladder voor duurzame verstedelijking op onderliggend plan niet van toepassing. Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals hierboven benoemd. Het Rijk heeft dan ook geen verdere bemoeienis met de planvorming. Nadere toetsing aan de ladder is om deze reden dan ook niet noodzakelijk.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Gelderland en Omgevingsverordening Gelderland

De Omgevingsvisie Gelderland is een integrale visie, niet alleen op het gebied van de ruimtelijke ordening, maar ook voor waterkwaliteit en veiligheid, bereikbaarheid, economische ontwikkeling, natuur en milieu, inclusief de sociale gevolgen daarvan. In de omgevingsvisie worden een tweetal hoofddoelen benadrukt. Het eerste doel is een duurzame economische structuur en het tweede doel is het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving.

De opzet van de omgevingsvisie is opgehangen aan de termen dynamisch, mooi en divers. Gelderland is een dynamische provincie in een prachtige setting, met een grote diversiteit. Dynamisch duidt op het ruimtelijk-economische vlak, bijvoorbeeld wonen, werken en mobiliteit. Mooi staat voor de natuurdoelen en de kwaliteiten die gewaarborgd en verder ontwikkelt dienen te worden. Voorbeelden hiervan zijn cultuurhistorie, natuur, water en ondergrond. Divers gaat over het herkennen van de regionale verschillen in maatschappelijke vraagstukken en het koesteren van de regionale identiteit.

Het plangebied ligt in de regio Stedendriehoek. De omgevingsvisie Gelderland doet geen uitspraken over de verplaatsing van een rioolgemaal.

Daarnaast bevat de Omgevingsvisie Gelderland het belangrijke instrument de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik. Hierin staan kwaliteiten en doelen centraal, niet de regels. Dit houdt in dat bij bestemmingsplannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling er moet worden aangegeven hoe met
de ladder is omgegaan wat betreft behoefte, bestaand stedelijk gebied en bereikbaarheid. Gezien de
kleinschalige aard, omvang en effecten (verkeersaantrekkende werking) van onderliggend plan, is een afweging met de Gelderse ladder niet aan de orde.

Omgevingsverordening Gelderland

Het is voor provincies mogelijk om invloed uit te oefenen op bestemmingsplannen en de daarbij behorende toelichting (artikel 4.1 Wro). De omgevingsverordening Gelderland dient dan ook als een juridisch instrument en beperkt zich tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

De verordening kent de volgende kaartlagen waaraan regels zijn verbonden: Windenergie, Luchtvaart, Landbouw, Glastuinbouw, Natuur, Natura2000-gebied, Landschap, Water en milieu en Erfgoed. Van toepassing op het plangebied is de kaart Milieu (intrekgebied).

afbeelding "i_NL.IMRO.0285.171044-OW00_0007.png"

Afbeelding 7 - Uitsnede omgevingsverordening Gelderland.

Op voorhand bestaat er vanuit deze thema's geen bezwaar tegen de voorgenomen ontwikkeling.

3.4 Regionaal beleid

Regionale Structuurvisie Stedendriehoek 2030

De gemeenten in de regio Stedendriehoek, met daarin de steden Apeldoorn, Deventer en Zutphen, hebben gezamenlijk een regionale structuurvisie opgesteld. In deze visie heeft de regio ruimtelijk beleid ontwikkeld voor de lange termijn (2030). De doelstelling hierbij is het behoud en versterking van de samenhang en variatie in woon-, werk- en recreatiegebieden, met het gelijktijdig ontwikkelen van nieuwe kwaliteiten in water, natuur, landschap en landbouw. De Stedendriehoek ontwikkelt zich zo in hoog tempo van een verband tussen drie steden naar een samenhangende stedelijke regio, met een groen middengebied en een groene omgeving. De Regionale Structuurvisie heeft de formele status van Intergemeentelijk Structuurplan. Dit betekent dat de structuurvisie richtinggevend is voor de ruimtelijke ontwikkeling.

De visie doet geen uitspraken over de verplaatsing van een rioolgemaal op het perceel aan de Kruisakkerweg 5 in Twello.

3.5 Gemeentelijk beleid

Ruimtelijke Toekomstvisie Voorst

Op 18 december 2018 is door de gemeenteraad de Ruimtelijke Toekomstvisie Voorst "Kwaliteit, Verbinding en Duurzaamheid" vastgesteld. In deze visie wordt het gemeentelijke beleid voor de komende jaren uitgewerkt, met een doorkijk naar de verdere toekomst. De visie is tot stand gekomen met een grote mate van participatie van inwoners, bedrijven en instellingen. De visie geeft aan dat onze identiteit leidend is in onze fysieke leefomgeving. Onze identiteit bestaat uit vijf bouwstenen, namelijk de kwaliteit van het landschap, de bijzondere cultuurhistorie, de dorpse schaal van de kernen, de krachtige sociale samenhang en duurzaamheid. De visie geeft voor verschillende inhoudelijke thema’s (Wonen, leefbaarheid & sociale cohesie / Werken, innovatie & recreatie / Omgeving & landschap/ Energie & klimaat) strategische beleidskeuzes aan.

Met dit bestemmingsplan wordt de verplaatsing van het rioolgemaal op het perceel aan de Kruisakkerweg 5 in Twello mogelijk gemaakt. Het plan past daarmee binnen de kaders van de Ruimtelijke Toekomstvisie.

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Daarnaast wordt ingegaan op de thema's water, flora en fauna, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en de economische uitvoerbaarheid van het plan.

4.2 Milieu-onderzoeken

4.2.1 Bodem

Als gevolg van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan onderzoek te worden verricht naar de geschiktheid van de gronden voor het beoogde doel. In het geval van een verontreiniging moet de mate van de omvang ervan worden vastgesteld, zodat beoordeeld kan worden of -en zo ja welke- kosten gemoeid zijn met het verwijderen of verminderen van die verontreiniging, zodat voldaan wordt aan de eisen van de milieuwetgeving.

Het plan voorziet in het verplaatsen van het rioolgemaal op het perceel aan de Kruisakkerweg 5 in Twello. Vanuit de milieuwetgeving is er geen sprake van een verblijf van personen en daarmee geen gevoelige bestemming. Voor dit bestemmingsplan is een verkennend bodemonderzoek om die reden achterwege gebleven.

4.2.2 Geluid

De Wet geluidhinder heeft tot doel de volksgezondheid en het milieu te beschermen tegen geluidsoverlast. Op basis van deze wet is bij een bestemmingsplan dan aandacht voor het aspect geluid noodzakelijk. Geluidsbelasting op gevels van geluidsgevoelige objecten moet binnen de normen blijven. Het gaat hier zowel om geluidhinder van wegverkeer, railverkeer en gezoneerde industrieterreinen.

Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een spoorweg of industrieterrein, om deze reden ondervindt de locatie dan ook geen hinder van railverkeer of van het industrieterrein. Daarnaast ligt het plangebied aan de Kruisakkerweg in Twello. Voor deze straat geldt een maximum toegestane snelheid van 30 km/uur. De geluidseffecten van het gemaal op de omliggende functies blijft gelijk of wordt minder.

Om deze redenen bestaat er geen akoestisch bezwaar tegen de verplaatsing van het rioolgemaal en hoeft er geen aanvullend akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd.

4.2.3 Luchtkwaliteit

De eisen voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn sinds november 2007 vastgelegd in de Wet milieubeheer, in titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen (ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'). In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de Wet luchtkwaliteit bestaat uit in Europees verband vastgestelde normen voor maximumconcentraties voor een aantal luchtvervuilende stoffen. In Nederland kunnen met name fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofoxiden (NO2) problemen opleveren met betrekking tot overschrijding van de grenswaarden. Fijn stof wordt grotendeels veroorzaakt door grote industriële bronnen en het wegverkeer, NO2 wordt voornamelijk veroorzaakt door wegverkeer. Indien het uitoefenen van bevoegdheden zoals het vaststellen van bestemmingsplannen of het afwijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 1 van de Wabo gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kunnen bestuursorganen die bevoegdheden uitoefenen wanneer aannemelijk is gemaakt dat:

  • 1. het bestemmingsplan c.q. de afwijking niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden;
  • 2. de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan c.q. de afwijking per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft;
  • 3. het bestemmingsplan c.q. de afwijking niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen.

Sinds 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht. Volgens het NSL draagt een project 'niet in betekenende mate' (Nibm) bij zo lang de concentratie fijn stof of stikstofdioxide niet meer dan 3% bedraagt.

Volgens de regeling Nibm wordt die grens pas overschreden bij bijvoorbeeld woningbouwprojecten van meer dan 1500 woningen of kantoorlocaties met meer dan 10.000 m2 bruto vloeroppervlak. Voor ontwikkelingen die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden. Dit bestemmingsplan maakt de verplaatsing van een rioolgemaal mogelijk en kan daarmee worden aangemerkt als ontwikkeling die in niet betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit.

Geconcludeerd wordt dat de Wet luchtkwaliteit en het Besluit Nibm geen belemmering vormen voor onderhavige plan.

4.2.4 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd. Het PR biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het GR legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

afbeelding "i_NL.IMRO.0285.171044-OW00_0008.png"

Afbeelding 8 - Uitsnede risicokaart Gelderland.

Het plangebied is beschermd tegen de kans op een kleine overstroming. Daarnaast ligt in de omgeving de intercity spoorlijn Apeldoorn - Deventer. De afstand tot deze spoorlijn bedraagt ongeveer 350 meter. Zodoende levert zowel het plaatsgebonden risico als het groepsrisico geen belemmering op voor onderliggend bestemmingsplan.

4.2.5 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Hieronder wordt verstaan het aanbrengen van voldoende ruimte tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen de milieubelastende en milieugevoelige functies.

In de directe nabijheid van het perceel komen met name woonfuncties voor. Het rioolgemaal wordt conform de VNG handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering' geclassificeerd als een categorie-2 bedrijf. Voor de inrichting geldt een richtafstand van 30 meter. Deze grootste afstand komt voort uit richtlijnen voor geur. Het dichtbij gelegen bouwvlak voor de bestemming Wonen - ten opzichte van de beoogde locatie - is de Parkelerweg 12 in Twello. Het rioolgemaal ligt op ongeveer 34 meter van dit bouwvlak.

Hierdoor kan worden geconcludeerd dat de verplaatsing van het rioolgemaal aan de Kruisakkerweg 5 geen belemmerende factor vormt voor het woon- en leefklimaat aan de Parkelerweg 12 in Twello.

4.3 Ecologie

Vanaf 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming een drietal wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Het doel van deze wet is de bescherming van de biodiversiteit in Nederland, decentralisatie van verantwoordelijkheden en een vereenvoudiging van regels. De wet gaat in op gebiedsbescherming (Natura 2000-gebieden of Nationaal Natuurnetwerk) en op soortbescherming. De Wet natuurbescherming heeft de verbodsbepaling uit de Flora- en faunawet overgenomen dat activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten, verboden zijn. De verboden activiteiten zijn het op enige wijze verwijderen van beschermde inheemse planten van hun groeiplaats, een beschermde inheemse diersoort opzettelijk te verontrusten en/of nesten, holen of andere vaste rust- en verblijfplaatsen van deze dieren te verstoren.

Het plangebied ligt niet in of in de nabijheid van een beschermd natuurgebied. Ook zijn binnen het plangebied geen belangrijke ecologische waarden bekend die om bescherming vragen. Gezien aard en omvang van het plan is nader ecologisch onderzoek om die reden achterwege gelaten. Indien de fysieke werkzaamheden - zoals het slopen van de gebouwen - binnen het broedseizoen worden uitgevoerd (globaal genomen binnen de periode halverwege maart tot en met augustus), kunnen maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat door de werkzaamheden broedende vogels worden verstoord of nesten worden vernield doordat enkele soorten als broedvogel niet zijn uit te sluiten. Dit dient door een ecoloog te worden beoordeeld.

Het uitvoeren van nader onderzoek, het treffen van eventuele mitigerende maatregelen en/of het aanvragen van een eventuele ontheffing van de Wet natuurbescherming (verklaring van geen bedenkingen bij de provincie) zijn gekoppeld aan de uitvoeringsfase en dienen afgerond te zijn voor de start van de fysieke uitvoering van de sloopwerkzaamheden (van het gemaal en de beplanting). Daarnaast dient te allen tijde voor alle planten en dieren de algemene zorgplicht in acht te worden genomen, die tijdens werkzaamheden onverwacht worden aangetroffen, ongeacht of deze soorten beschermd zijn.

4.4 Archeologie

Door het Verdrag van Malta zijn overheden verplicht om in het ruimtelijke beleid zorgvuldig om te gaan met het archeologische erfgoed. Voordat er bodemingrepen plaatsvinden, is een archeologisch onderzoek nodig. Dit geldt zowel voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen, als waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden voorkomen. Vanaf 1 juli 2016 is een deel geregeld in de Erfgoedwet (de Monumentenwet trad uit werking). Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving, gaat over naar de Omgevingswet wanneer deze (naar verwacht) in 2021 in werking treedt. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet. Hier blijven zij ongewijzigd van toepassing totdat de Omgevingswet in werking treedt.

De bescherming van de aanwezige en de te verwachten archeologische waarden door bodemverstorende activiteiten blijft geregeld. Hierbij wordt uitgegaan van het zo vroeg mogelijk betrekken van de archeologische waarden in het ruimtelijke ordeningproces. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan voor de gronden in het plangebied moet rekening gehouden worden met in de grond aanwezige of te verwachten archeologische resten. In 2017 heeft de gemeente Voorst een erfgoedverordening vastgesteld. De erfgoedverordening bestaat uit regels en een bijbehorende archeologische beleidskaart. Uit de beleidskaart blijkt dat het plangebied is geclassificeerd als een zone met een hoge archeologische verwachting. Bij deze waarde geldt een onderzoeksverplichting voor een bouwwerk groter dan 250 m2, en waarvan de ingreep dieper reikt dan 30 cm onder maaiveld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0285.171044-OW00_0009.png"

Afbeelding 9 - Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Voorst.

De verplaatsing van het rioolgemaal valt niet onder de uitvoeringsvoorwaarde, zodoende is er geen inventariserend archeologisch onderzoek nodig.

4.5 Water

Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Via de digitale watertoets (www.dewatertoets.nl) is beoordeeld welke waterthema's in het plan relevant zijn.

Op 15 maart 2018 is de digitale Watertoets van Waterschap Vallei en Veluwe ingevuld (zie Bijlage 1) . Beoordeeld is dat binnen het plangebied een of meerdere belangrijke oppervlaktewateren, waterkeringen of gebieden liggen die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat mogelijk daarmee primaire waterbelangen worden geraakt. Het belang dat wordt geraakt met de verplaatsing van het rioolgemaal, is een riooltransportleiding. Om deze reden wordt eerst het nieuwe gemaal ontwikkeld en wordt de riooltransportleiding daarop aangesloten. Vervolgens wordt het oude rioolgemaal gesloopt.

4.6 Economische uitvoerbaarheid

Voor de realisatie van dit plan hoeft door de gemeente Voorst geen investering gedaan te worden. De ontwikkelingskosten worden geheel door de initiatiefnemer gedragen. De kosten die verband houden met de planologische procedure en de uitvoering van de werkzaamheden zijn voor de initiatiefnemer van het plan. Verondersteld mag worden dat het plan hiermee uitvoerbaar is.

4.6.1 Planschade

Volgens vast beleid van de gemeente Voorst wordt ten aanzien van ruimtelijke projecten waaruit tegemoetkoming in schade (planschade) kan voortvloeien, altijd een overeenkomst in tegemoetkoming in schade afgesloten, danwel wordt een passage in de anterieure overeenkomst opgenomen. In dit geval is er een planschade overeenkomst opgesteld. Hierdoor wordt gewaarborgd dat eventuele tegemoetkoming in schade betaald wordt door de initiatiefnemer.

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet

5.1 Inleiding

In dit hoofdstuk worden de regels van het plan nader toegelicht. Er wordt inzicht gegeven in de opbouw van de planregels, de gebruikte bestemmingen en de inzet van zogenaamde flexibiliteitinstrumenten.

5.2 Planregels

Een bestemmingsplan kent aan gronden een bestemming toe en verbindt regels aan deze bestemming. Deze regels betreffen het gebruik van de gronden, maar onder meer ook de bouwmogelijkheden. De regels zijn nader onder te verdelen in

  • inleidende regels;
  • bestemmingsregels;
  • algemene regels;
  • overgangs- en slotregels.
5.2.1 Inleidende regels

In deze regels staan de begrippen verklaard, die in de planregels voorkomen en die om een nadere omschrijving vragen. Verder wordt aangegeven op welke wijze gemeten moet worden om bijvoorbeeld een goot- of bouwhoogte te bepalen

5.2.2 Bestemmingsregels

Deze regels betreffen het hart van het bestemmingsplan. In de bestemmingsregels wordt aangegeven waarvoor en - zo nodig - hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. In dit bestemmingsplan is slechts één enkelbestemming opgenomen, de bestemming Bedrijf-Nutsvoorziening. Daarnaast is de dubbelbestemming Waarde - Archeologie - 3 opgenomen.

De bestemmingsregels kennen een vaste opbouw in bestemmingsomschrijving (toegestaan gebruik), bouwregels, nadere eisen, afwijking van de bouwregels, specifieke gebruiksregels en wijzigingsbevoegdheden.

5.2.3 Algemene regels

De algemene regels hebben betrekking op alle bestemmingen in het plan. In plaats van bij elke bestemming dezelfde regels te plaatsen, kan gebruik worden gemaakt van een algemene regel. Zo zijn er gebruiksregels, aanduidingsregels, afwijkingsregels en wijzigingsregels.

Anti-dubbeltelbepaling

De anti-dubbeltelbepaling is ook onder de algemene regels opgenomen. Hiermee blijven gronden, die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, buiten beschouwing bij de beoordeling van latere bouwplannen.

Parkeren

Alle gronden en bouwwerken in dit bestemmingsplan mogen uitsluitend gebruikt, of in gebruik genomen mogen worden, wanneer voorzien is in voldoende parkeergelegenheid.

Om te bepalen of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt getoetst aan de gemeentelijke parkeernormen en de geldende CROW normen die horen bij de specifieke functie.

Strijdig gebruik

In het verleden werd strijdig gebruik (gebruik in strijd met de bestemming) expliciet vermeld bij elke bestemming. Nu is dit strijdig gebruik bij wet (artikel 2.1 Wabo) verboden en wordt het niet langer vermeld in het bestemmingsplan. Al het gebruik dat niet past binnen de doeleindenomschrijving van de betreffende bestemming wordt daarom gezien als strijdig gebruik.

5.2.4 Overgangs- en slotregels

Hieronder zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. De eerste regels beschermen een bestaand bouwwerk of gebruik dat afwijkt van de regels. De slotregels geven aan op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

5.3 Bestemmingen

5.3.1 Bedrijf-Nutsvoorziening

Bestemmingsomschrijving

De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor bedrijven, de bestemmingsomschrijving stelt dat uitsluitend openbare nutsvoorzieningen mogelijk zijn. Ook ondergeschikte voorzieningen zoals groen, water, verhardingen en verkeers- en verblijfsvoorzieningen zijn toegestaan.

Bebouwingsmogelijkheden

Binnen de bestemming Bedrijf-Nutsvoorziening is een onderscheid gemaakt tussen welke bebouwing is toegestaan binnen het bouwvlak en welke erbuiten. Waar gebouwen mogen worden gebouwd is dat middels een bouwvlak aangegeven. Dit onderscheid maakt dat op de plankaart de grootte en ligging van het bouwvlak de bouwmogelijkheden bepalen. Binnen het bouwvlak staan de toegestane goot- en bouwhoogte en – indien van toepassing – een maximum oppervlak vermeld. Buiten het bouwvlak zijn alleen andere bouwwerken toegestaan. Daarnaast geldt dat er uitsluitend ter plaatse van het bouwvlak ondergronds mag worden gebouwd, tot een maximale diepte van 6 meter onder het peil.

Voorwaardelijke verplichting

In dit bestemmingsplan is gebruik gemaakt van een zogenaamde voorwaardelijke verplichting. De bouw van het nieuwe rioolgemaal is namelijk alleen toegestaan als het oude rioolgemaal wordt gesloopt. Een functionerend rioolgemaal is van belang,. Om deze reden hoeft het oude gemaal pas na 18 maanden - na het verlenen van de omgevingsvergunning voor het nieuwe gemaal - te worden gesloopt.

5.3.2 Waarde - Archeologie

Om de archeologische waardevolle gebieden veilig te stellen, gelden op deze gronden beperkingen ten aanzien van het bouwen voor de met deze bestemming samenvallende bestemmingen. Bouwen waarbij ingrepen vanaf een bepaalde omvang plaatsvinden, is uitsluitend toegestaan indien uit onderzoek blijkt dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn of dat de waarden voldoende worden veilig gesteld. Voor het plangebied geldt daarbij een onderzoeksverplichting als er bodemingrepen plaatsvinden die dieper dan 30 cm onder maaiveld reiken en groter zijn dan 250 m2. Daarnaast geldt er een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden.

5.4 Flexibiliteit in het bestemmingsplan

5.4.1 Flexibiliteit in het bestemmingsplan

Flexibiliteit in een bestemmingsplan is handig om ervoor te zorgen dat een bestemmingsplan voldoende beleidsruimte biedt om ontwikkelingen in de toekomst mogelijk te maken. Deze ontwikkelingen zullen ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan vaak niet bekend zijn. Een bestemmingsplan zonder flexibiliteit kan te star zijn. Indien gebruik wordt gemaakt van de flexibiliteitbevoegdheden (art. 3.6, Wro), dienen in het bestemmingsplan zelf de grenzen te worden aangegeven door het stellen van nadere eisen, het verlenen van afwijkingen, het wijzigen van het plan of het uitwerken van een plan.

5.4.2 Afwijking

Deze bevoegdheid biedt de mogelijkheid af te wijken van een in het plan opgenomen regeling. Het is mogelijk van geval tot geval ruimtelijk relevante voorwaarden te stellen en belangen nader af te wegen. Een afwijking mag alleen op relatief ondergeschikte onderdelen betrekking hebben en mag niet tot een bestemmingswijziging leiden.

In dit bestemmingsplan zijn de volgende afwijkingsmogelijkheden opgenomen:

  • een algemene afwijkingsmogelijkheid voor de aangegeven of in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages. Deze afwijking geldt alleen voor maten, afmetingen en percentages die binnen het bouwvlak passen, omdat anders sprake is van een wijzigingsbevoegdheid vanwege een te grote impact op de omgeving;
  • een algemene afwijkingsmogelijkheid voor het bepaalde in het plan en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes en naar de aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes kunnen worden gebouwd, mits de inhoud per gebouwtje niet meer dan 75 m³ bedraagt;
  • een algemene afwijkingsmogelijkheid voor het toestaan van antennemasten tot een bouwhoogte van 40 meter;
  • een algemene afwijkingsmogelijkheid voor het gebruik voor bewoning uit het oogpunt van mantelzorg. Er is voor gekozen om mantelzorg niet bij recht toe te staan maar te regelen via een afwijking, zodat er voorwaarden gesteld kunnen worden. Een van de voorwaarden bij deze afwijkingsmogelijkheid is dat een goede woonsituatie binnen deze bestemming in stand gehouden c.q. gegarandeerd moet worden. Ook moet binnen één maand na beëindiging van het gebruik van overige gebouwen als afhankelijke woonruimte ten behoeve van de mantelzorg hiervan schriftelijk mededeling wordt gedaan aan burgemeester en wethouders. Tenslotte moet binnen drie maanden na beëindiging van het gebruik ten behoeve van mantelzorg de bewoning zijn beëindigd

De algemene afwijkingsmogelijkheden mogen niet leiden tot een onevenredige aantasting van:
- de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
- het straat- en/of bebouwingsbeeld;
- de sociale veiligheid;
- de verkeersveiligheid.

5.4.3 Wijzigingsbevoegdheid

Meer ingrijpende functieveranderingen en meer ingrijpende afwijkingen van de regels kunnen mogelijk worden gemaakt met een in het bestemmingsplan op te nemen wijzigingsbevoegdheid. Dit mag er niet toe leiden dat de structuur en de ruimtelijke opzet van het plan ingrijpend worden gewijzigd. De wijziging treedt in werking na de vaststelling van een afzonderlijk wijzigingsplan.

In dit bestemmingsplan zijn de volgende wijzigingsbevoegdheden opgenomen:

- wijziging van de staat van bedrijfsactiviteiten voor wat betreft de categorie indeling van bedrijven.

Hoofdstuk 6 Overleg en inspraak

6.1 Uitkomsten overleg

Het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan pleegt daarbij overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het geding zijn. Aangezien er geen sprake is van directe rijksbelangen heeft er geen vooroverleg plaatsgevonden met het Rijk. Tevens is het voorliggende plan niet in strijd met enig provinciaal belang, waardoor er voor gekozen is geen vooroverleg te plegen. Het vooroverleg met het waterschap heeft plaats gevonden via de website http://www.dewatertoets.nl. Hieruit is naar voren gekomen dat verder overleg niet noodzakelijk is.

6.2 Zienswijzen

Met ingang van [pm] heeft het ontwerpbestemmingsplan Kruisakkerweg 5, Twello gedurende zes weken ter inzage gelegen. In deze periode was het voor een ieder mogelijk een zienswijze in te dienen en daarmee te reageren op de inhoud van het ontwerpbestemmingsplan. Tijdens deze periode zijn er wel/geen [pm] zienswijzen ingediend.